Den Haag

Op 13 juli 1913 arriveert Henri vanuit Amsterdam/Watergraafsmeer in Den Haag. Hij gaat op Hoefkade 51 wonen, ‘bij Moses‘ (Mozes Moses, meubelmaker). Henri is dan ‘chemisch wasscher‘. Anderhalf jaar later, op 15 februari 1915, vestigen ook de ouders van Henri, Philip en Ernestine, zich met hun kinderen in Den Haag. Henri gaat bij ze wonen, Rijklof van Goensstraat 77. Hij verhuist twee keer met ze mee, in 1916 naar de Anna van Buerenstraat 36 en in 1923 naar nummer 329.

Inschrijving Bevolkingsregister Den Haag, voor vertrek naar Antwerpen
Inschrijving Bevolkingsregister ‘s-Gravenhage, vóór vertrek naar Antwerpen

Huwelijk met Josephina Velleman

Josephina Velleman is geboren in Amsterdam, op 1 juli 1899. Met haar ouders woonde zij ook in Antwerpen, en in Londen, tot ze in 1921 in Den Haag gaat wonen.  In die periode (voor 1920) zullen Henri en Josephina elkaar ontmoet hebben. Hoe en waar is niet duidelijk, misschien bij het huwelijk van Henri’s oudere zus Jenny, met Zacharias Hakker, in Watergraafsmeer 1913, of op een familiefeestje daarna. Zacharias’ moeder heette Betje Velleman, en was wellicht familie.

Hoe het ook zij, in het Nieuw Israëlietisch Weekblad van 24 september 1920 staat de verlovingsadvertentie van Josephine (sic) Velleman en Henri Raphalowitz (sic), beider namen in een (van de officiële) afwijkende spelling.

verlovingsadvertentie in Nieuw Israëlitisch Weekblad van 24 september 1920
Verlovingsadvertentie in Nieuw Israëlitisch Weekblad van 24 september 1920

Anna van Buerenstraat 36 is in 1920 het ouderlijk adres van Henri, Amstel 155 niet dat van Josephina’s ouders, die in Londen wonen. Op het adres Amstel 155ii woont Levie Hakker, vader van aanstaand zwager Zacharias Hakker, en echtgenoot van de eerdergenoemde Betje Velleman. Wellicht is  om die reden (familie) dat adres vermeld. (In 1929, dus een flink aantal jaren later, woonde op dat adres ook Alfred Raphalowiz, de jongste broer van Henri.)

Josephina gaat vanaf 3 februari 1921 in Den Haag wonen, officieel bij Zacharias Hakker en Jenny Rafalowitz, op hetzelfde adres als Henri en zijn ouders, Anna van Buerenstraat 36. Op 16 augustus verhuist ze naar het adres van haar moeder Bloeme Erwteman, die is komen wonen Stationsplein 36 (vader Zacharias Velleman komt op 5 september terug uit Londen), en vanaf 16 april 1923 woont het gezin op Rijswijkseplein 16.

Josephina en Henri trouwen op 15 augustus 1923 in het stadhuis van Den Haag.

Huwelijksakte Henri Raphalowiz en Josephina Velleman, 's Gravenhage 15-8-1923
Huwelijksakte Henri Raphalowiz en Josephina Velleman, ‘s-Gravenhage 15-8-1923

Het huwelijk is dezelfde dag, “’s namiddags ten 2 1/2 ure, en zulks met inachtneming der bepalingen, vervat in de artikelen 155 – 186 van het reglement der Nederlands-Israëlitische Gemeente te ’s Gravenhage,” ingezegend door opperrabbijn A. van Loen, in ‘lokaal Keijl’. Dit is hoogstwaarschijnlijk Restaurant Keijl aan de Gevers Deynootweg geweest, in Scheveningen.

Het jonggetrouwde stel gaat wonen op Rijswijkseplein 16, bij Josephina’s ouders. Wellicht op dat adres wordt 24 maart 1925 hun zoon Marcel Philip geboren. Op 4 april vindt de besnijdenis plaats, in de synagoge in de Wagenstraat.

Het gezin Raphalowiz was zeker lid van de Nederlandsch-Israëlietische Gemeente te ‘s-Gravenhage, zij komen voor in de geraadpleegde administratie. In 1935 is er helaas sprake van een achterstand in betaling van kerkbelasting, in 1942 betaalde het gezin fl. 29.

Volgens het Haagse bevolkingsregister vertrekt het gezin op 25 november 1925 naar Antwerpen.

Op 26 oktober 1928 overlijdt Henri’s moeder Ernestina, 63 jaar oud.

Bijna vijf jaar na het vertrek uit Den Haag, op 25 juni 1930, komt Henri terug uit Antwerpen. Hij trekt in bij zijn vader, inmiddels verhuisd naar Anna van Buerenstraat 329. Twee weken later, op 10 juli 1930 voegen vrouw en zoon zich bij hem, en gaat het gezin weer zelfstandig wonen, in de Lyonnetstraat op nummer 116. Henri wordt vermeld als ‘stoffenverver’. In deze periode wordt zoon Marcel leerplichtig. Ik heb (nog) niet terug kunnen vinden waar hij naar school ging. Dat zou kunnen zijn in de nabijgelegen Draaistraat, maar dit is niet meer dan een gok. Veel Joodse kinderen gingen naar de lagere school in de Bezemstraat, of in de Waalstraat, maar die liggen verder weg.

In 1935 dient Henri, die waarschijnlijk als “Vreemdeling” werd aangemerkt, een verzoek om naturalisatie tot Nederlander in. Dat verzoek is niet gehonoreerd.  In een “klapper-index Naturalisaties” in het Nationaal Archief vond ik de volgende aantekeningen.

Inschrijving naturalisatieprocedure Henri Raphalowiz in de klapper-index Naturalisaties

Op 17 januari 1935 wordt het verzoek ingediend. In mei wordt een volgende stap gezet, ik denk: het opvragen van gegevens bij de Burgerlijke Stand. In september zullen vragen gestuurd zijn naar adres(sant). Daarna valt de procedure kennelijk stil. Voor dit soort gevallen is volgens de onderzoeksgids ‘Naturalisatiegids’ van het Algemeen Rijksarchief (nu: Nationaal Archief)1 vaak geen goede verklaring te vinden: “Liet de behandelend ambtenaar de zaak gewoon rusten? Zeker is dat in deze jaren (bedoeld wordt: 1932 – 1940) de wachttijden lang tot zeer lang kunnen zijn en dat het onbehandeld laten liggen van verzoeken een van de kenmerken is van het restrictieve naturalisatiebeleid van de jaren 1930 en de eerste naoorlogse jaren.

In 1936 verhuist het gezin naar Allard Piersonlaan 160, een portiekwoning in centraal Laakkwartier.

Inschrijving Bevolkingsregister Den Haag, na terugkomst uit Antwerpen, voorzijde
Inschrijving Bevolkingsregister ‘s-Gravenhage, ná terugkomst uit Antwerpen, voorzijde
Inschrijving Bevolkingsregister Den Haag, na terugkomst uit Antwerpen, achterzijde
Inschrijving Bevolkingsregister ‘s-Gravenhage, ná terugkomst uit Antwerpen, achterzijde

Voor mij (FZ) is juist deze woning bijzonder, omdat het ook mijn ouderlijk huis is geweest, van 1959 tot 1976. De hierna afgebeelde foto van Jan Woerlee uit 1934 geeft een mooie indruk van de Allard Piersonlaan in die periode. Nummer 160 is nauwelijks zichtbaar, ligt meer naar achteren op de foto, aan de rechterkant, en is op de eerste verdieping.

Allard Piersonlaan, 1934. Foto: Jan Woerlee
Allard Piersonlaan, 1934. Foto: Jan Woerlee

 

Persoonskaart Henri Raphalowiz
Persoonskaart Henri Raphalowiz
Persoonskaart Josephina Velleman
Persoonskaart Josephina Velleman
Persoonskaart Marcel Philip Raphalowiz
Persoonskaart Marcel Philip Raphalowiz

Op de persoonskaart van Marcel (deze persoonskaarten werden uitgegeven vanaf 1938-39 en vervingen de tot dan gebruikte gezinskaarten) staat dat Marcel ‘studeerend‘ is, ik interpreteer dit zo dat Marcel na zijn lagere school ook een middelbare school bezocht. Welke is mij niet bekend. Tijdens de bezetting werd op aandringen van de Duitsers in 1941 het bij zich dragen van een identiteitskaart (het persoonsbewijs) verplicht gesteld voor Nederlanders van 14 jaar en ouder. De persoonsbewijzen van Henri en Marcel zijn afgegeven op 28 oktober 1941, die van Josephina op 17 november.

In de nacht van 18 op 19 augustus 1942 vertrok het eerste transport vanuit Den Haag met Joodse burgers vanaf Station Staatsspoor richting Westerbork. Het gezin Raphalowiz had (hoogstwaarschijnlijk) een ‘oproeping’2 voor dit transport ontvangen en zat in deze trein.  Op 19 augustus 1942 arriveerden zij in kamp Westerbork.

Afgaande op wat Dr. L. de Jong en Bart van der Boom over dit eerste transport vanuit Den Haag schrijven3 hadden zij een oproep ontvangen zich te melden op station Staatsspoor voor transport, en hebben zij daaraan gehoor gegeven.

Op 30 oktober 1942 kwamen de volgende bewoners op Allard Piersonlaan 160.

Op 5 november 1942 werd het gezin uit de Haagse bevolkingsadministratie geschrapt wegens ‘vertrek naar Duitschland’. Zoals uit de gegevens op de pagina Westerbork en Auschwitz zal blijken waren ze toen reeds overleden.

De overlijdensakten van het gezin Raphalowiz zijn op 20 oktober 1950 officieel ingeschreven in de Burgerlijke Stand van ‘s-Gravenhage. Zie hiervoor de pagina over Westerbork en Auschwitz.

  1. N.M. Brandt, M.C. van Leeuwen-Canneman, V. van den Bergh, Naturalisatiegids, Algemeen Rijksarchief, ‘s-Gravenhage, 2000 []
  2. Voor een voorbeeld van zo’n ‘oproeping’ zie onderstaande afbeeldingen. Het betreft hier hetzelfde transport als waar het gezin Raphalowiz mee meeging.

    De getoonde oproeping was bestemd voor mevr. Ida van Raalte-Simons, zij heeft de oorlog overleefd. De documenten zijn afkomstig uit de ‘Collectie Joods Historisch Museum’.

    Te lezen vallen de leugen over  het doel van deze oproeping (persoonsonderzoek en geneeskundige keuring voor eventuele deelname aan ‘werkverruiming’), alsmede een opsomming van mee te nemen bagage en te overleggen volledige gegevens betreffende stoffelijke en geldelijke bezittingen. Bijgevoegd een reisvergunning en (trein)vervoerbiljet voor de reis van Scheveningen (via Den Haag Staatsspoor) naar Hooghalen. Voor de gelegenheid mocht men tevens, tegen betaling, van tram en autobus gebruik maken.

    Oproeping mevr. Ida van Raalte-Simons, blad 1. (Collectie Joods Historisch Museum)

    Oproeping mevr. Ida van Raalte-Simons, blad 2. (Collectie Joods Historisch Museum)

    Oproeping mevr. Ida van Raalte-Simons, blad 3. (Collectie Joods Historisch Museum)

    []

  3. Dr. L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 6 JULI ’42 – MEI ’43 eerste helft, pagina 34:

    Uit Den Haag vond het eerste transport op 18 augustus plaats. Van de ca. vierduizend personen die toen thuis een deportatiebevel ontvangen hadden, meldden zich slechts ruim twaalfhonderd aan het station Staatsspoor, de meesten, ondanks het feit dat het volop zomer was, in hun dikste winterkleren; dat was de enige manier om in de bagage wat extra ruimte te krijgen. ‘Het was een nachtmerrie’, aldus een brief die een van J.J. (Koos) Vorrinks relaties van een medewerkster van de Joodse Raad ontving, 

    ‘zó erg dat ik er nog boordevol mee zit en er toch haast niet over kan praten of schrijven … Er waren mensen bij die de vorige dag na anderhalf jaar uit de gevangenis waren ontslagen en volkomen verdwaasd rondliepen. Eén man had niets bij zich, geen rugzak, geen eten,’ niets. Hij was zo van de gevangenis naar de trein gebracht. Verder oorlogsgewonden die sinds mei ’40 in het Militair Hospitaal hadden gelegen. De bezetters die naar het schouwspel kwamen kijken, hadden hun ‘dames’ ook meegenomen om te genieten. Deze stonden blondgelokt en beeldig opgemaakt met de dienstdoende officiertjes enz. te flirten en te ginnegappen … Levensmiddelen en dergelijke hadden we in de derde-klasse wachtkamer uitgestald en op tafels gelegd, maar op het laatste ogenblik mochten de mensen daar niet in. Toen hebben we alles maar op bagagelorries gelegd en naar het perron gereden. Je liep in donker tussen cordons grüne Polizisten door met helmen en geweer in de aanslag, die bars maar niet onbeschoft waren. De houding van de mensen die weggingen, was over het algemeen geweldig.

    Er was maar één geval met een zenuwtoeval. Ze waren nog blij met wat ze kregen. Maar er waren ook coupé’s waar de mensen niets wilden hebben, omdat ze toch niet konden eten of drinken.’

    B. van der Boom, Den Haag in de Tweede Wereldoorlog, pagina 163 geeft een direct hierop volgend verder citaat uit dezelfde brief:

    ‘Anderen waren zo geweldig dankbaar, dat het beschamend was. Het is toch maar zoo ellendig weinig wat je voor ze doen kunt. Ze gingen in gewone 3e klas coupés en er was voldoende plaats voor iedereen. Het was alleen ontzettend warm en iedereen had zijn dikste kleeren natuurlijk aangetrokken. Er waren maar heel weinig babies en ook weinig kleine kinderen. Daar zijn ook voldoende adressen voor beschikbaar.’

    De brief is afkomstig van mej. M. van der Hoop en gericht aan een schoonzuster van J.J. (Koos) Vorrinks medewerker Althoff, mevr. G. Althoff-Loubère, en bevindt zich bij het NIOD, in het dossier Vorrink (3a).

    Van der Boom schrijft over dit eerste transport nog het volgende: ‘Het eerste transport vanuit Den Haag  vond plaats op 18 augustus 1942. Duizenden joden ontvingen een oproep om zich die avond bij station Staatsspoor te melden voor de ‘Arbeitseinsatz’. Bij uitzondering was het hun die dag toegestaan hun boodschappen de gehele dag te doen, na acht uur ’s avonds op straat te zijn, de tram nemen en op het station de wachtkamer te gebruiken. De treinen vertrokken ’s nachts om één uur en kwart voor twee.’

    De treinkaartjes kostten overigens fl. 2,90 per persoon en konden worden afgehaald bij de Joodsche Raad in de Hartogstraat. Voor minvermogenden was de reis gratis.

    Omdat slechts 1200 van de ongeveer 4000 opgeroepenen zich daadwerkelijk hadden gemeld werden bij volgende transporten steeds door de Joodsche Raad aangewezenen geïnstrueerd zich voor vertrek gereed te houden, waarna ze ’s avonds van huis werden opgehaald. []